‘’Faculteit der Letteren’’ of ‘’leerfabriek met targets’’

Harmoniecomplex, kantine en Letterenfaculteit RUG

Komend jaar vindt er een bestuurlijke clustering plaats bij de Faculteit der Letteren waarbij afdelingsbesturen  worden samengevoegd in 5 bestuurlijke clusters. Deze reorganisatie is een verkapte bezuiniging die ondemocratisch is ingezet en het onderwijs en onderzoek niet ten goede komt. Wederom een symptoom van de systematische afbraak van de geesteswetenschappen, de toenemende baanonzekerheid van docenten en het democratisch tekort aan de RUG.


Het water stond de Faculteit al tot aan de lippen, maar nu het nieuwe kabinet vasthoudt aan de prestatiebekostiging van het hoger onderwijs, zien we wederom een verdere stap in de afbraak van de Faculteit der Letteren. Door middel van de reorganisatie in de vorm van clustering zal het interne allocatiemodel van Letteren vanaf januari 2018 namelijk worden gebaseerd op output-financiering. Dat betekent op de lange termijn structureel minder geld naar opleidingen, aanzienlijk competitievere wetenschap, verhoging van de werkdruk, minder docenten en het verder binnenharken van goed betalende (internationale) studenten.  Ontwikkelingen die de Faculteit wellicht kortstondig kunnen revitaliseren, maar zeker niet beter zullen maken. Het faculteitsbestuur ziet zich, zoals veel andere geesteswetenschappenfaculteiten, gedwongen meer te doen met minder geld. Daarbij schuift deze de verantwoordelijkheid voor het ‘realiseren van een zuiniger onderwijsaanbod’ af op docenten en de clusterbesturen. Gewiekst, want de betrokkenen graven daarmee gedwongen hun eigen graf. Dat is deze docenten en clusterbesturen overigens niet kwalijk te nemen want er is door het Faculteitsbestuur voortdurend voorgehouden dat er niet (opnieuw) opleidingen en aanstellingen zullen verdwijnen. Een terugblik naar 2012, toen een waardevol deel van de talenstudies verdween en er allerlei gedwongen ontslagen vielen, is echter beangstigend. Langetermijneffecten van de clustering mogen dan nog niet bekend zijn, de plannen zijn beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. Wat gaat er precies veranderen vanaf januari 2018 en in welke zin is dit problematisch? In dit stuk zal een weergave worden gegeven van de clusteroperatie en de problemen die deze met zich mee kan brengen.

Clustering bij Letteren

De rendementsgerichte benadering speelt het hoger onderwijs al jaren parten en vooral de letterenfaculteiten komen er in het gehele land bekaaid van af. De kaalslag die sinds de jaren tachtig is ingezet, zoals de privatisering van het openbaar vervoer en de zorg,  heeft ook het hoger onderwijs aangetast. Deze ontwikkeling gaat gestaag verder en legt een grote druk op de letterenfaculteiten. Het nieuwe bezuinigingsproject ‘clustering’, dat vanaf januari 2018 wordt geïmplementeerd op de Groninger letterenfaculteit, is exemplarisch voor deze neoliberale tijdgeest. Het College van Bestuur van onze Alma Mater kwam met het bevel om het bekostigingssysteem van de Letterenfaculteit te modelleren naar de wijze waarop het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de universiteiten in Nederland financiert. Dat betekent dus op basis van output: kwantitatieve financiering op basis van aantallen diploma’s en aantallen studiepunten. De faculteit heeft dat voor langere tijd kunnen tegenhouden maar door de rode cijfers van de afgelopen jaren dwingt het College van Bestuur de faculteit om nu toch overstag te gaan.

De kaalslag die sinds de jaren tachtig is ingezet, zoals de privatisering van het openbaar vervoer en de zorg,  heeft ook het hoger onderwijs aangetast.

Gelukkig heeft het Faculteitsbestuur, in samenwerking met het CvB, uitstekende oplossingen gevonden om de gedupeerden zoveel mogelijk op het verkeerde spoor te zetten en de perverse gevolgen van het clusterproject te ontkennen. In de eerste plaats door de Letterengemeenschap niet of nauwelijks in te lichten, in de tweede plaats door het woord ‘bezuinigingen’ voortaan te vermijden en enkel de term ‘reorganisatie’ te bezigen en in de derde plaats door de opdracht tot bezuinigen door middel van clustering op docenten en onderzoekers af te schuiven. Maar iedereen weet dat reorganiseren en bezuinigen synoniemen zijn, clustering een leeg omhulsel is dat enkel de werkdruk doet toenemen en dat beide zaken exemplarisch zijn voor het knappe staaltje bestuurdersproza waarmee we iedere keer weer bedonderd worden. Dat het Faculteitsbestuur dan in een nota stelt dat de invoering van outputfinanciering en de clusteroperatie zelf geen bezuinigingen zijn, doet alle alarmbellen rinkelen.

Het motto ‘naar een duurzame en compacte faculteit’, sinds 2012 de leidraad voor nieuw beleid, is daarom een façade. Duurzaamheid betekent hier nivellering, net zoals compact hier verschraling betekent. Een lichtpuntje in de ontwikkeling van zelfreflectie is echter wel dat het Faculteitsbestuur zich tenminste bewust geworden is van haar eigen onbekwaamheid om goede beslissingen te nemen over het onderwijs. Eerlijk, oprecht en onthutsend schrijven de managers: “Het Faculteitsbestuur ervaart dat het te ver zit van de onderwijsprogramma’s en de docenten die het onderwijs geven om inhoudelijk gefundeerde beslissingen over het onderwijs te kunnen nemen”.

De problemen van clusteren als bezuinigingsproject

De clustering van de Letterenfaculteit, zoals die in januari 2018 start, wordt gekenmerkt door een breed scala aan problemen. Ten eerste werd er zonder inspraak van letterenstaf en -studenten gekozen voor een kant-en-klaarplan waarin de methodologische en financiële onderbouwing achterwege bleef. Letterendocenten schreven daarom in april nog een uitgebreide brief waarin zij hun zorgen uitten over de volledig ontbrekende onderbouwing voor het aangekondigde clusterproject. Natuurlijk werden die vragen niet vol overtuiging beantwoord, want de ideologische onderbouwing voor clustering is net zo aan paalrot onderhevig als die voor de beoogde franchise-onderneming van de Rijksuniversiteit Groningen in het Chinese Yantai.

Voorafgaand aan de presentatie van het clusteringsplan is er door drie adviesgroepen ondoorzichtig advies gegeven over de praktische invulling van de clustering. Het Faculteitsbestuur stelt dat deze ‘stevige, goed gefundeerde adviezen’ opleverden, maar het blijft een feit dat andere medewerkers en studenten niet gehoord of ingelicht zijn ten behoeve van deze bezuinigingsmaatregel. Ook is niet inzichtelijk welke adviezen deze drie commissies gedaan hebben, los van enkele adviezen over stimulerende nieuwe vormen van onderwijs. Waarom is er nooit advies gevraagd aan docenten, studenten en andere medewerkers van de faculteit? Waarom is er nooit een fatsoenlijke discussie gevoerd? En waarom is er nooit gekozen voor meer deliberatieve vormen van democratie in dit ingrijpende proces van herindeling van de afdelingsbesturen? Wederom een bewijs voor het gebrek aan democratie aan onze universiteit.

Het blijft een feit dat andere medewerkers en studenten niet gehoord of ingelicht zijn ten behoeve van deze bezuinigingsmaatregel.

Vanaf januari zal ook het clusterbudget worden geïmplementeerd. Dit budget behelst een vast en een variabel deel. Het variabele deel van de clusterbudgetten zal gebaseerd worden op het behaalde aantal EC’s en diploma’s door studenten. Een lichtpuntje daarbij is wel dat het vanaf nu gaat om het totaal aantal diploma’s en studiepunten en dus niet meer om de nominaal behaalde diploma’s en bekostigde ECTS binnen de Faculteit. Het vaste deel wordt gevormd door de startwaarde (het geld dat gebaseerd is op eerdere begrotingen)  die overigens steeds hetzelfde zal zijn. Helaas leidt het nieuwe model niet tot een inperking van de perverse prikkel van behaalde EC’s en diploma’s, wat één van de grootste problemen is waarmee de universiteit te maken heeft. Dit beleid, dat vanuit de overheid wordt opgelegd, had de financiering van de universiteit richting de faculteiten al in haar greep. Nu ook intern op de Letterenfaculteit deze rendementsgerichte maatregel wordt ingevoerd, zal er minder geld voor meer taken beschikbaar zijn.

Aanvankelijk blijft de financiering van opleidingen dus gelijk. Zo wordt in 2018 het budget afgestemd op de huidige verdeling van de personele lasten. Daar wringt gelijk de schoen, want het Faculteitsbestuur stelt dat ‘er bij de start van de clustervorming zich geen grote wijzigingen in de formatietoedeling zullen voordoen’. Dat betekent echter wel dat de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van bezuinigingsopdrachten voortaan bij de clusterbesturen komt te liggen. Wanneer door teruglopende studentenaantallen bij een bepaalde studie het variabele deel van het budget afneemt, zal dat dus betekenen dat er tekorten ontstaan binnen een cluster. Om de broek op te houden zullen er dus óf meer slagingsmechanismen moeten worden ingebouwd óf er zal gekozen moeten worden voor het afstoten van hoge kostenposten zoals kleine studies, professoren en ondersteunend en beheerspersoneel. Het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor de financiering op de clusterbesturen, zodat academici zich bewuster worden van de kosten, lijkt als een ouder die met een opgeheven vingertje zijn kinderen in de speelgoedwinkel nog eens inpepert: ‘wat denk je dat dat allemaal wel niet kost!?’. Het Faculteitsbestuur schuift haar verantwoordelijkheid dus af op de clusterbesturen en zal in de toekomst niet meer de verantwoordelijkheid en de lasten hoeven te dragen bij het samenvoegen of verdwijnen van opleidingen, het ontslaan van personeel en verdere verschraling van de onderwijskwaliteit.

Het argument dat dit wel een erg zwartgallig toekomstscenario is kan overigens gelijk naar het rijk der fabelen worden verwezen. Als we de instellingsbegroting van de RUG uit 2016 lezen, kunnen we concluderen dat deze visie direct bevestigd wordt: ‘verhoging van de instroom in de masters, vergroten van de doorstroom van BA-fase naar MA-fase, bevorderen van de nominale studieduur, reductie masteropleidingen en verminderen van het aantal minoren’. Daarnaast hamert Rector Magnificus  Elmer Sterken enkel op het vergroten van het aantal bekostigde studenten, vooral door in de woorden van deze Rector Magnificus zelf: ‘agressieve marketing’. Allerlei maatregelen die om financiën gaan en waarvoor geen duurzame onderbouwing bestaat. Het zijn maatregelen waarvan overigens niet vaststaat of ze de financiële situatie op lange termijn zullen verbeteren, laat staan dat ze enige positieve invloed zullen  hebben op de visie op de intrinsieke waarde van de Faculteit der Letteren.

Flexibilisering is een gotspe

Het Faculteitsbestuur wil de organisatie van de mate van flexibiliteit overdragen op de clusterbesturen. Als argument dragen zij hiervoor aan dat clusters meer zicht hebben op de wens tot meer of minder flexibiliteit. De flexibele schil binnen de verschillende clusters gaat dan wellicht wel verschillen, het betekent ook meer onzekerheid voor mensen met een vaste aanstelling wanneer een deel van die aanstelling gaat fluctueren en wanneer dit ieder jaar wordt herzien.

Het probleem is daarbij ook dat het Faculteitsbestuur rept over het inzetten van student-assistenten ten koste van universitair docenten en professoren. Als op basis van het aantal behaalde EC’s en nominaal afgestudeerden wordt bepaald hoe groot het flexibele deel van het clusterbudget zal zijn, hoe lang zal het dan duren voor de clusterbesturen uit noodzaak moeten overgaan tot enerzijds het verminderen van universitair docenten en anderzijds het bij elkaar sprokkelen van meer student-assistenten om de overvloed aan studenten te kunnen bedienen? Of dat daarbij het onderwijsdeel van docenten aanzienlijk wordt vergroot, ten koste van het onderzoeksdeel van hun aanstelling? Wanneer vervolgens ook nog promotiestudenten ingezet worden als vervanging van ‘echte’ docenten zal de ware aard van deze ‘flexibilisering” al helemaal tot uiting komen.

Op onderwijsvlak zal er dus veel mis gaan. Een ander probleem  is dat door middel van het inzetten op flexibilisering wetenschappers nog meer naar de NWO en KNAW worden gedreven. Het aantal projecten gefinancierd vanuit de tweede- en derde geldstroom (externe projectfinanciering van onderzoek) zal daarom explosief toenemen. Bekostiging vanuit de eerste geldstroom (financiering vanuit de overheid)  zal daarnaast nog verder afnemen waardoor er enkel plaats is voor beurzen met een tijdelijk karakter die vervolgens resulteren in nog meer tijdelijke aanstellingen. Hiermee is de universiteit verantwoordelijk voor de mentale gezondheidsproblemen die voortkomen uit baanonzekerheid en competitiedruk.

Flexibilisering is geen oplossing om de begroting sluitend te krijgen. Zoals hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Geert Buelens (Universiteit Utrecht) in 2005 al doeltreffend verwoordde: ‘minder docenten moeten in minder tijd en met minder geld minder kennis overbrengen om meer studenten aan meer diploma’s te helpen.’ Dat raakt de kern van deze bezuinigingen en de wijze waarop dat vervolgens door het korten van personeel opgevangen wordt. Emiterius professor en initiatiefnemer van het Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten (H.NU) Hans Radder schreef in 2014 al eens een prijsvraag uit: ‘wie is het langst in tijdelijke dienst van een Nederlandse universiteit?’ Het toont aan hoe binnen universiteiten wordt omgegaan met flexibilisering. De “flexibele schil” raakt als woord de kern al. Van de schil kan makkelijk ontdaan worden; wegwerpwetenschappers worden de norm.

Het probleem van outputfinanciering

Het Faculteitsbestuur bedient zich van het argument dat de Faculteiten Wijsbegeerte en Theologie reeds met een systeem van outputfinanciering werken, waarbij dus één budget voor verschillende opleidingen wordt gehanteerd. Deze faculteiten zijn daardoor financieel gezond, zo stelt het Faculteitsbestuur. Dat toont aan hoe er binnen bestuursorganen wordt gedacht over het belangrijkste onderdeel van de Universiteit: het onderzoek en onderwijs zelf. Binnen de Filosofiefaculteit heeft outputfinanciering juist geleid tot een aanzienlijke verschraling van bijvoorbeeld continentale filosofie, waardoor de kwaliteit en de diversiteit van het onderwijs achteruit zijn gegaan. Door een grote groep filosofiestudenten is daar  afgelopen lente nog een kritisch symposium over georganiseerd, precies vanwege deze verschraling. Bovendien wordt de faculteit voor een aanzienlijk deel gefinancierd met het NWO-prijzengeld van de Spinozapremie, die de decaan van de faculteit gewonnen heeft. Dat is geen solide en continue basis voor een gezond financieel beleid.

Outputfinanciering heeft juist geleid tot een aanzienlijke verschraling van bijvoorbeeld continentale filosofie, waardoor de kwaliteit en de diversiteit van het onderwijs achteruit zijn gegaan.

Outputfinanciering is rampzalig voor de Faculteit der Letteren. Het is niet ondenkbaar dat er neveneffecten ontstaan die de onderwijskwaliteit kunnen doen laten afnemen. Wie veel studenten laat zakken voor tentamens schiet in eigen voet. Het kan daarom bijvoorbeeld voor docenten belangrijker worden slagingspercentages hoog te houden, omdat ze anders worden afgerekend. Helaas gaat het daarbij dus om kwantitatieve criteria, waarbij geen oog meer is voor kwaliteit. Het gaat namelijk om aantallen studenten die aantallen studiepunten halen. Helaas betekent minder diploma’s en studiepunten dus minder geld voor minder docenten. Daartegenover zullen meer (internationale) studenten moeten worden aangetrokken om geld in het laatje te brengen waarmee we zijn aanbeland bij totaal uit de hand lopende student/stafratio’s. Inhoudelijke beoordeling en financiële beloning worden dus eigenlijk gelijkgeschakeld. Emeritus professor filosofie Hans Radder (Vrije Universiteit) wees al eerder op de gevaren van outputfinanciering en schrijft dat dit er zelfs toe leidt dat slagingspercentages vooraf in begrotingen worden vastgelegd. Wanneer door de gebrekkige  inzet van studenten of door andere redenen niet aan deze slagingspercentages wordt voldaan, ontstaan er dus perverse prikkels om de begroting sluitend te krijgen.

Een ander probleem van outputfinanciering is dat het een nulsomspel is. De Universiteit zal niet meer geld beschikbaar stellen voor de Faculteit wanneer deze zwarte cijfers draait. Outputfinanciering zal de clusters van jaar tot jaar aanzetten tot het afleveren van meer studenten terwijl het geld uit de eerste geldstroom gelijk zal blijven. Dit is dan het vaste deel van de clusterbudgetten. De vaste voet is de basisfinanciering van het Faculteitsbestuur naar de clusterbesturen toe. Helaas betekent dit wel minder geld bij minder presteren, gezien die vaste voet ieder jaar wordt herzien.

Met het runnen van de Faculteit der Letteren op outputfinanciering en het instellen van de clusterbesturen komt de rekening dus te liggen bij de staf. Helaas zal een hoger bestuursniveau dan de Letterenfaculteit andere dan louter kwantitatieve criteria moeten vaststellen. Zolang er echter miljoenen naar megalomane prestigeprojecten, learning communities en marketingcampagnes blijft gaan, zullen we bij Letteren moeten vechten om een gedegen financiering, vindingrijk moeten zijn in het meer doen met minder geld en ervoor moeten zorgen dat de perverse prikkels van outputfinanciering niet de kwaliteit van het onderwijs verder zullen verslechteren. Dat terwijl het in de centrale begroting stikt van het geld en Universiteitsbestuurders  buitenproportionele, zes-cijferige salarissen verdienen.

Conclusies

In dit artikel is weergegeven met welke problemen bestuurlijke clustering gepaard kan gaan. Aldus hoop ik duidelijk te hebben gemaakt dat outputfinanciering en verregaande “flexibilisering” niet wenselijk zijn op onze Faculteit. Er is geen democratische debat gevoerd over de reorganisatie en ook aan transparantie is er een groot gebrek. Studenten en docenten zijn niet of nauwelijks ingelicht over de plannen. Daarnaast zien wij binnen de Democratische Academie Groningen (DAG) graag een financiering die kwetsbare vakgebieden zekerheid biedt op de lange termijn. Op financieel vlak zou het al een opluchting zijn om de vaste voet structureel te vergroten, maar dat zien we de rendementsdenkende Rector Magnificus en voorzitter van College van Bestuur niet bewerkstelligen. En ook binnen het Faculteitsbestuur bestaat er geen brandend enthousiasme om het op te nemen voor de docenten en studenten die zij besturen; Faculteitsbesturen denken enkel binnen de kaders en verwijzen constant naar de werkgever-werknemer relatie die zij met het College van Bestuur hebben. Idealen worden daarbij voortdurend gelaakt omdat het de bestuurlijke werkelijkheid in de weg staat. De Faculteit der Letteren verandert van gemeenschappelijk kennisproject in een leerfabriek met targets. Idealen en de bestuurlijke werkelijkheid staan daardoor mijlenver uit elkaar. Daarnaast kan helaas alleen de minister afdwingen dat de universiteit een adequate financiële bodem instelt voor de Faculteit der Letteren, maar daar is dan ook gelijk alles mee gezegd.

Door: Bart Hekkema



Wil je ook je mening over de universiteit laten horen?
Mail naar democratischeacademie@gmail.com