Doorbreek de neerwaartse spiraal waarin de geesteswetenschappen zich bevinden

Als betrokken student aan de Groningse Faculteit der Letteren constateer ik al jaren een gebrek aan waardering voor studies in de geesteswetenschappen. Deze studies worden door velen gezien als minderwaardig aan, en makkelijker dan studies in de natuurwetenschappen. Decanen op middelbare scholen vertellen hun VWO-leerlingen die voor een profielkeuze staan dat met een keuze voor een bètaprofiel alle vervolgstudieopties nog open blijven staan. Onder het mom van “geschiedenis kun je altíjd nog gaan doen!” raden zij hun pupillen in geval van twijfel altijd een bètaprofiel aan.

Wanneer een scholier uiteindelijk wel – al dan niet met een alfa- of gammaprofiel – heeft gekozen voor een studie in de geesteswetenschappen, zal hij zich constant moeten verantwoorden. Wat kun je eigenlijk met zo’n studie filosofie? Wat word je daarmee? De student geesteswetenschappen wordt door zijn omgeving voortdurend geconfronteerd met kritische vragen over hoe hij na het afronden van zijn studie een directe bijdrage denkt te gaan leveren aan ‘onze’ economie. Intussen wordt voorbij gegaan aan het feit dat academische studies in het algemeen, en studies in de geesteswetenschappen in het bijzonder, niet opleiden tot een specifiek beroep.

Wanneer men de situatie nader inspecteert, blijkt neoliberaal universitair beleid een negatieve invloed te hebben op de kwaliteit van onderwijs en onderzoek in alle vakgebieden, maar de geesteswetenschappen lijden hier extra hard onder. Ten gevolge van imagoproblemen en rendementsgericht beleid zijn zij terecht gekomen in een neerwaartse spiraal die hun ondergang zal betekenen wanneer hij niet spoedig doorbroken wordt. In dit artikel wordt dan ook gepleit voor een radicale herziening van universitair beleid en financiering en wordt een ideaalbeeld geschetst van hoe het óók kan: een situatie waarin de geesteswetenschappen weer gewaardeerd worden om wat ze doen en waarin niet langer rendement maar juist kwalitatief hoogstaand onderwijs centraal staat.

Kwalijke gevolgen van het neoliberale beleid

De kwaliteit van het onderwijs in alle studiegebieden keldert door de enorme focus op het rendabel maken van opleidingen. Omdat de universiteit verdient aan het aantal nominaal afgestudeerde studenten dat zij aflevert, wordt het studenten zo makkelijk mogelijk gemaakt om nominaal af te studeren, een tendens die de onderwijskwaliteit flink schaadt. Zo moeten steeds meer diepgravende 10-ECTS-vakken plaatsmaken voor meer oppervlakkige vakken van 5 EC en komt er steeds meer aandacht voor “schoolse” vaardigheden als leren presenteren, wat weer ten koste gaat van de academische inhoud van studies. Tegelijkertijd worden er meer en meer studenten geworven, terwijl het aantal docenten niet meegroeit met de exorbitante studentengroei. Docenten kunnen de toegenomen werkdruk amper nog aan en kunnen studenten steeds minder aandacht bieden.

De geesteswetenschappen lijden hier ook onder en hebben daarnaast te maken met een aantal aanvullende problemen. Zo is er het “afvoerputje-effect”. Er is namelijk een enorme discrepantie tussen geesteswetenschappen en natuurwetenschappen als het aankomt op ingangseisen die studies stellen aan aankomend studenten. De Nederlandse scholier die natuurkunde wil gaan studeren, moet niet alleen natuurkunde op VWO-niveau afgerond hebben, maar ook scheikunde en wiskunde B. Wie Frans of geschiedenis wil gaan studeren, hoeft zelfs die vakken zélf niet in zijn vakkenpakket te hebben. Dit gegeven draagt bij aan de onderwaardering van alfastudies, omdat ze verworden tot het afvoerputje voor twijfelende pubers: wie niet weet wat hij wil, kan altijd nog terecht bij de geesteswetenschappen. Daarnaast trekken de studies relatief veel studenten die wellicht thuishoren op het HBO, omdat zij toegankelijker zijn dan bètastudies voor HBO-studenten die diploma’s willen stapelen. Mede hierdoor hebben de geesteswetenschappen ook meer dan andere studiegebieden last van overbevolking.

Een andere reden hiervoor is dat de universiteit er een actief wervingsbeleid op nahoudt, waardoor veel studies op dit moment te veel studenten afleveren. Studenten kunnen niet aan het werk in het veld waarin zij zich op de universiteit gespecialiseerd hebben, simpelweg omdat er op de arbeidsmarkt geen behoefte is aan de hoeveelheid afgeleverde geesteswetenschappers. De universiteit neemt hierin onvoldoende haar verantwoordelijkheid wanneer zij actief zo veel mogelijk studenten voor een bepaalde studie werft met als enige doel deze studie rendabel te houden. Zij gedraagt zich dan als een bedrijf met winstbelang en niet als een gemeenschappelijk kennisproject dat tot doel heeft divers en kwalitatief hoogstaand onderwijs aan te bieden. Dit probleem speelt overigens niet alleen in de geesteswetenschappen; denk bijvoorbeeld ook aan de hordes afgestudeerde basisartsen die geen plek kunnen vinden om opgeleid te worden tot medisch specialist.

De geesteswetenschappen kampen bovendien met een imagoprobleem en lijken niet gezien te worden als volwaardige wetenschappen. Hierdoor worden financiering en beleid van universiteiten gebaseerd op modellen die werken voor bètawetenschappen, omdat zij worden gezien als representatief voor alle studiegebieden. Het Rijk werkt hierin ook niet echt mee. In het nieuwe regeerakkoord valt te lezen over de prioriteiten die het kabinet stelt op het gebied van investeringen in hoger onderwijs en onderzoek: “De financiering van het onderzoek aan universiteiten wordt sterker gekoppeld aan (…) maatschappelijke impact. (…) Speciale aandacht gaat uit naar technische wetenschappen.” Verder heeft men in de bekostigingssystematiek voor het hoger onderwijs “specifieke aandacht voor technische opleidingen”. Het is duidelijk dit alles neerkomt op investeringen in bèta-opleidingen en onderzoek met direct rendement en praktisch nut op korte termijn.

De vicieuze cirkel

Doordat letterenstudies wegens te grote studentenaantallen in kwaliteit dalen en  matige baanperspectieven bieden, zal hun imago alleen maar slechter worden. Hiermee is de vicieuze cirkel rond: een slechter imago voor de geesteswetenschappen zal namelijk leiden tot nóg meer bètagericht beleid. Het bètawetenschappelijke keurslijf blijkt echter ongeschikt voor de pluralistische geesteswetenschappen en zal leiden tot meer kwaliteitsdaling. Wanneer deze neerwaartse spiraal niet doorbroken wordt, zal een verdere verschraling de geesteswetenschappen ten deel vallen. De geldstroom voor deze studiegebieden droogt steeds verder op, omdat bij het ontwerpen van financieel beleid de exacte wetenschappen als uitgangspunt worden gebruikt.

Momenteel zijn er vanuit het universiteitsbestuur geen initiatieven tot verbetering van de situatie te verwachten. In het huidige universitaire financieringssysteem is het namelijk lastig om de bovengenoemde problemen van verschraling van de geesteswetenschappen en opdrogen van geldstromen structureel aan te pakken. De universiteit zelf zal niet ingrijpen om de daling in aanbod en kwaliteit van de geesteswetenschappen te doen keren, want voor haar staat niet de hoeveelheid over te dragen kennis, maar de hoeveelheid studenten voorop. Vanuit hun puur op geld gerichte blik, zien bestuurders verschraling van het onderwijsaanbod niet als probleem.

Op deze manier zijn de geesteswetenschappen gedoemd in hun geheel te verdwijnen. Ze worden feitelijk wegbezuinigd, een proces dat nu ook al aan de gang is. Dit is uiteraard een kwalijke zaak, temeer omdat het belang van de geesteswetenschappen niet onderschat dient te worden. Over de waarde van niet-exacte vakgebieden alleen al vallen boeken vol te schrijven en daar is dan ook al veel over gepubliceerd. Hierom, en omdat het onmogelijk is beknopt het belang van deze vakgebieden te beargumenteren, zal ik me beperken tot de volgende stelling: studies in de geesteswetenschappen zijn -niet hoewel, maar juist omdat hun waarde niet in directe economische winst uit te drukken is- onmisbaar in een hoogontwikkeld land waar naast het primair-economische denken óók ruimte is voor cultuurontwikkeling en –reflectie. En dat moeten we beter beseffen.

Een radicale herziening van het systeem is dan ook noodzakelijk om de cirkel te doorbreken en universiteitsbestuurders zouden zich hierover moeten uitspreken. Zij kunnen namelijk in opstand komen tegen de vanuit het Rijk opgelegde neoliberale eisen aan hun begrotingen. Oplossingen moeten aan ten minste twee eisen voldoen. Ten eerste moet de bestaande ongelijkheid tussen alfa- en bètawetenschappen, zowel op het gebied van ingangseisen als op het gebied van financieringsbeleid, rechtgetrokken worden. Ten tweede moeten we toe naar een minder rendementsgerichte kijk op wetenschap en onderwijs. De geesteswetenschappen zijn namelijk niet primair gericht op het genereren van winst en worden door het alomtegenwoordige neoliberalisme afgestraft wanneer zij trachten te doen wat zij behoren te doen: meer waarde toekennen aan kennis dan aan geld.

Het doorbreken van de cirkel

De discrepantie in ingangseisen van alfa- en bètastudies is één van de redenen dat alfastudies onterecht gezien worden als pretstudies en zij moet dan ook rechtgetrokken worden. Hiervoor zijn twee mogelijkheden. Studies in de geesteswetenschappen kunnen een strengere selectie aan de poort invoeren en zo alleen de beste en meest gemotiveerde studenten toelaten. Op deze manier kunnen ze zichzelf een serieuzer en elitairder imago toe-eigenen. Deze stap zou echter een vorm van symptoombestrijding zijn en geen oplossing bieden voor het onderliggende probleem, namelijk de kwaliteitsdaling van het onderwijs in de geesteswetenschappen. Het zou slechts een manier zijn om het onderwijs minder toegankelijk te maken voor de massa. Bovendien is strengere selectie aan de poort geen garantie voor betere studenten, zoals onder andere blijkt uit het promotieonderzoek van Nienke Schripsema, aangehaald in Trouw (24 oktober 2017). Zij onderzocht de verschillen tussen studenten geneeskunde die aan hun studie waren begonnen na loting en studenten die door een decentrale selectieprocedure waren gekomen en concludeerde dat er geen verschil aan te wijzen was tussen de twee groepen.

Een betere optie is om de ingangseisen bij zowel geestes- als natuurwetenschappen volledig te laten varen. Wel moet er ook dan geïnvesteerd worden in de kwaliteit van het onderwijs, zodat het niveau onbeschaamd hoog kan blijven. Dat op deze manier zeer uitdagende studies open zouden komen te staan voor iedereen, hoeft niet per se problematisch te zijn, zolang hierover eerlijk wordt gecommuniceerd naar aankomend studenten. In dit systeem zou voor elke studie duidelijk gemaakt worden welke voorkennis en vaardigheden van beginnend studenten verwacht worden. Aan studenten wordt zo de verantwoordelijkheid gegeven zelf te bepalen of zij het aankunnen met een bepaalde studie te starten; een vertrouwen dat zij niet zullen schaden wanneer het hen gegund wordt, omdat dat ook niet in hun eigen belang is.

Dit systeem wordt dus gebaseerd op vertrouwen. Omgekeerd kunnen studenten er ook op vertrouwen dat zij door de universiteit degelijk worden ingelicht over de toekomstperspectieven die een studie biedt. De universiteit houdt daarom op reclame te maken voor studies door de baankansen die zij bieden te positief weer te geven. Zij accepteert dat in bepaalde vakgebieden geen behoefte is aan het aantal afgestudeerden dat zij op dit moment wil afleveren omdat het haar winst oplevert. Studies met lage of dalende studentenaantallen blijven echter wel bestaan zo lang er studenten zijn die zich in de materie willen verdiepen of er vanuit de arbeidsmarkt een minimale vraag om specialisten blijft bestaan. Niet ieder vakgebied hoeft op zichzelf winstgevend te zijn, want fundamenteel onderzoek wordt door zowel de universiteit als de samenleving gewaardeerd, ook als dit geen economische meerwaarde heeft.

Van rendementsgericht onderwijs naar kwaliteitsgericht onderwijs

Er valt veel te zeggen voor het idee om ingangseisen voor universitaire studies in hun geheel af te schaffen. Onderwijs wordt zo veel toegankelijker en iedereen die hiertoe de intrinsieke motivatie heeft krijgt de mogelijkheid zichzelf maximaal te ontwikkelen. Op deze manier zou een universiteit veel meer functioneren als een gemeenschappelijk kennisproject en de doelen dienen waartoe zij is opgericht. Helaas is het hierboven geschetste systeem utopisch in de huidige financiële structuur, waarin de universiteiten betaald worden naar het aantal nominaal afgestudeerde studenten dat zij afleveren. Hierdoor worden zij gedwongen te functioneren als winstgevende bedrijven en werven zij actief te veel studenten. Daarnaast geven deze perverse prikkels de universiteit de behoefte aan de garantie dat beginnend studenten daadwerkelijk over genoeg voorkennis beschikken om hun studie zonder vertraging af te ronden. De universiteit durft studenten hierdoor niet genoeg vertrouwen te schenken om de ingangseisen in hun geheel af te kunnen schaffen en zo de discrepantie tussen de exacte en geesteswetenschappen recht te trekken.

De geesteswetenschappen bevinden zich op dit moment in een neerwaartse spiraal die in stand wordt gehouden door onderwaardering en rendementsgericht beleid dat hen niet past. Omdat in het huidige universitaire financieringssysteem een oplossing om de vicieuze cirkel te doorbreken ver te zoeken is, moet dit systeem radicaal herzien worden. Het neoliberalisme in het onderwijs heeft de geesteswetenschappen al veel gekost en er dreigt nog veel meer kennis en kunde verloren te gaan door het op exacte wetenschappen gebaseerde financiële beleid. Afschaffing van ingangseisen voor universitaire studies zou de ongelijkheid tussen alfa- en bètastudies verkleinen en kan zo bijdragen aan meer waardering voor de geesteswetenschappen. Om het probleem echt op te lossen, moet er echter ook voldaan worden aan de voorwaarde dat investeringen in het onderwijs en daarmee de onderwijskwaliteit niet langer afhankelijk zijn van de rendabiliteit van opleidingen. Laat universiteitsbestuurders weer inzien dat kwantiteit niet hetzelfde is als kwaliteit.

Door: Anke van Dijk


Anke van Dijk is voorzitter van DWARS Groningen en denkt voor DAG mee in de werkgroep Onderwijs en onderzoek.


Wil je ook je mening over de universiteit laten horen?
Mail naar democratischeacademie@gmail.com